Een honderd jaar oude trend is plots omgeslagen
Meer dan een eeuw lang volgden de cognitieve vermogens van mensen een gestage opwaartse lijn. En toen veranderde er iets fundamenteels. Jongeren van vandaag scoren lager op testen voor geheugen, aandacht en logisch redeneren dan hun ouders op dezelfde leeftijd deden.
De meest recente gegevens uit internationaal onderzoek zijn ondubbelzinnig: voor het eerst sinds het einde van de negentiende eeuw zien we een significante achteruitgang in de cognitieve vermogens van een hele generatie. Wetenschappers spreken er schande van.
Voor ouders en leerkrachten stelt dit een heel concrete uitdaging. Het is niet langer vanzelfsprekend dat kinderen automatisch slimmer zijn dan vorige generaties. Neurowetenschappers en psychologen waarschuwen dat de manier waarop jongeren hun tijd doorbrengen, een diepe invloed heeft op de ontwikkeling van het brein.
Hoe het Flynn-effect werkte en waarom een groei van 115 jaar tot stilstand is gekomen
Psychologen observeerden lange tijd een verschijnsel dat bekendstaat als het Flynn-effect: een stelselmatige stijging van de scores op intelligentietests in ontwikkelde landen. Vanaf het einde van de negentiende eeuw tot het begin van het huidige decennium haalde elke volgende generatie gemiddeld zo’n drie IQ-punten meer dan de voorgaande.
Die verbetering was niet alleen zichtbaar in het totale IQ-cijfer, maar ook in specifieke domeinen: werkgeheugen, abstract redeneren en het vermogen om de aandacht vast te houden. Kinderen genoten simpelweg van steeds betere omstandigheden voor hersenontwikkeling.
Meer dan honderd jaar lang wees de curve van cognitieve testresultaten uitsluitend omhoog, zonder noemenswaardige daling tot het begin van de jaren 2010. Die vooruitgang werd niet door genetica bepaald, maar door de omgeving.
De verspreiding van onderwijs, betere voeding in de kindertijd, gezondere woonomstandigheden, minder blootstelling aan bepaalde giftige stoffen en een steeds complexere cognitieve context: al die factoren droegen bij aan die stijgende lijn. De psycholoog James Flynn, die dit fenomeen uitvoerig beschreef, toonde op basis van grote populaties aan dat genetica deze veranderingen niet verklaart. Erfelijkheid wijzigt zich niet zo snel. Wat wél verandert, is de manier waarop mensen leven, werken, studeren en waarmee een kind dagelijks in aanraking komt.
Vanaf 2010 scoren jongeren lager dan hun ouders
Rond 2010 begon er iets ongeziens zichtbaar te worden in de data: de scores stopten met stijgen en daalden in bepaalde landen zelfs fors. De neurobioloog Jared Cooney Horvath bracht dit onder de aandacht, ook voor het Amerikaanse Congres.
Uit de gepresenteerde analyses blijkt dat jonge volwassenen van Generatie Z slechter presteren dan hun leeftijdsgenoten van enkele jaren eerder, met name op deze gebieden:
- Werkgeheugen – meer moeite om informatie mentaal vast te houden en te verwerken
- Abstract redeneren – minder vermogen om taken aan te pakken die symbolisch denken en deductie vereisen
- Aandachtsbehoud – grotere neiging tot afleiding en moeite met langdurige concentratie
- Taalbegrip – verminderd vermogen om complexe teksten te begrijpen
- Wiskundige vaardigheden – problemen met oefeningen die berekeningen op meerdere niveaus vereisen
- Logisch redeneren – minder vermogen om oorzaken en gevolgen te verbinden in uitgebreide redeneringen
Dit beeld wordt bevestigd door de PISA-testen van de OESO. In de editie van 2022 behaalden vijftienjarigen lagere scores in wiskunde, wetenschappen en tekstbegrip dan hun leeftijdsgenoten aan het begin van het vorige decennium. De dalingen zijn zichtbaar zowel in Europa als in Noord-Amerika.
Onderzoekers van de Northwestern University brengen gedetailleerd in kaart waar de achteruitgang het grootst is. Prestaties daalden het sterkst bij taken die langdurige concentratie en het onthouden van complexe reeksen vereisen. De enige positieve noot is een lichte verbetering bij taken op basis van symbolen en grafische patronen, wat experts koppelen aan het dagelijkse contact met digitale interfaces, iconen, grafieken en videospellen waarbij het snel herkennen van visuele patronen centraal staat.
Hoe schermtijd de mogelijkheden van jonge hersenen beïnvloedt
Wat heeft het Flynn-effect kunnen stoppen en zelfs omdraaien? Horvath wijst in de eerste plaats op de scherpe toename van de tijd die voor schermen wordt doorgebracht. Tieners van Generatie Z besteden gemiddeld acht uur per dag aan digitale apparaten — bijna de helft van alle uren dat ze niet slapen.
De stijging van schermtijd viel in de tijd precies samen met het moment waarop cognitieve scores ophielden te groeien en in veel landen begonnen te dalen. Het gaat niet alleen om thuisontspanning: de digitalisering van het onderwijs bracht een enorme omwenteling teweeg.
Alleen al de Verenigde Staten gaven tientallen miljarden dollars uit aan laptops en tablets voor leerlingen, die de papieren leerboeken en traditionele schriften vervingen. Volgens critici bleek deze omschakeling een tweesnijdend zwaard. Enerzijds vergemakkelijkte het de toegang tot leermaterialen, anderzijds verdwenen praktijken die decennialang het geheugen en de concentratie hadden ondersteund: met de hand schrijven, rustig lange teksten lezen, oefeningen op papier oplossen in plaats van in een flikkerende browservenster.
Neurowetenschappers van de Stanford University ontdekten dat studenten die met de hand notities nemen, meer informatie onthouden dan wie op een computer typt. De hand, het potlood en het schrift dwingen het brein om informatie actiever te verwerken. Wie op een toetsenbord typt, schrijft de woorden vaak letterlijk over zonder ze echt op te nemen.
Scandinavië herinvoert papieren boeken en handschrift in de klas
De noordelijke landen, waar de digitalisering van het onderwijs het verst was doorgedrongen, reageerden het snelst op deze signalen. De Zweedse regering kondigde de geleidelijke terugtrekking van tablets uit de basisschoolklassen aan, met een terugkeer naar papieren leerboeken en traditionele oefeningen.
Beleidsmakers verbergen de reden niet: since schermen de klaslokalen domineren, zijn de schoolresultaten beginnen te dalen. Denemarken en Noorwegen bewandelen een vergelijkbaar pad. Landen die als eersten inzetten op digitaal onderwijs, staan nu het dichtst bij een terugkeer naar eenvoudige hulpmiddelen: papier, potlood en boek.
Noordse onderwijsautoriteiten benadrukken dat leren via schermen eerder een oppervlakkige verkenning van inhoud bevordert en langetermijngeheugen minder effectief ondersteunt. In die onderwijssystemen krijgt handschrift opnieuw een prominentere rol, leren kinderen opnieuw kalligrafie en wordt computertijd tijdens de lessen beperkt, ook bij educatieve toepassingen.
De prioriteit verschuift naar diepe informatieverwerking, niet het snel springen van het ene naar het andere venster. Finse leerkrachten hebben verplichte uren voor schrijven met de pen en het lezen van papieren boeken in de leerplannen opgenomen. Noorse leerkrachten kregen de vraag om het gebruik van PowerPoint terug te schroeven en terug te grijpen naar het bord en het krijt.
Jongeren voelen zich bekwaam, maar de resultaten vertellen een ander verhaal
Er schuilt iets paradoxaals in dit alles: de terugval in vaardigheden gaat gepaard met een tegengestelde tendens in zelfbeoordeling. Horvath stelt vast dat vertegenwoordigers van Generatie Z meer vertrouwen uitspreken in hun eigen cognitieve capaciteiten dan hun oudere collega’s, zelfs wanneer de testen het tegendeel aantonen.
De bron van dat zelfvertrouwen is wellicht de gemakkelijke toegang tot informatie. Met een paar klikken op een zoekmachine vind je een antwoord op bijna elke vraag. Jongeren kunnen de indruk hebben dat ze iets weten, omdat ze het onmiddellijk kunnen opzoeken. Maar dat staat niet gelijk aan echte beheersing van een onderwerp of het vermogen om logisch te redeneren zonder de hulp van een telefoon.
Onderzoekers van de Columbia University bestudeerden hoe studenten hun eigen kennis inschatten na het uitvoeren van online zoekopdrachten. Ze ontdekten dat wie informatie snel vond, zichzelf intelligenter achtte dan ze in werkelijkheid waren. Google en Wikipedia hadden hun een vals gevoel van beheersing gegeven.
Wat ouders en scholen kunnen doen om cognitieve vermogens te versterken
Als de neerwaartse trend bevestigd wordt door verder onderzoek, blijven de gevolgen niet beperkt tot statistieken. Lagere cognitieve vermogens betekenen meer leerproblemen, meer stress op school en, op langere termijn, een lagere arbeidsproductiviteit en meer moeite om weg wijs te raken in een complexe informatiemaatschappij.
Ouders en leerkrachten kunnen concreet handelen in plaats van passief te wachten op de volgende rapporten. De voornaamste aanbevelingen van neurobiologen en psychologen omvatten onder meer:
- Schermtijd beperken, vooral ‘s avonds en tijdens het huiswerk
- Het lezen van lange teksten op papier stimuleren, niet alleen korte berichten op sociale media
- Terugkeren naar handschrift – notities, samenvattingen en persoonlijke schema’s als studiemateriaal
- Kinderen leren zich op één taak tegelijk te concentreren, zonder voortdurend van activiteit te wisselen
- Gedeelde gesprekken over wat het kind leest en bekijkt, om analyse en deductie te oefenen
- Regelmatig hardop voorlezen in gezinsverband
- Spellen die strategisch denken vereisen, zoals schaken of logische puzzels
- Multitasking tijdens het studeren verminderen
De omgeving speelt ook een grote rol. Een kinderkamer zonder voortdurende meldingen van de telefoon helpt het brein zich te richten op het leren. Zweedse kinderartsen bevelen aan om thuis smartphonevrije zones te creëren, waar kinderen huiswerk maken en lezen.
Waarom de hand, het papier en de stilte nog altijd de kwaliteit van het leren bepalen
Voor veel volwassenen klinkt dit misschien als een stap terug in de tijd. De neurowetenschap legt echter uit waarom eenvoudige hulpmiddelen nog altijd buitengewoon effectief zijn. Handschrift activeert meer hersengebieden dan typen. Het dwingt je om inhoud te selecteren, met eigen woorden te verwerken en betekenisvolle verbanden te leggen.
Lezen op papier verloopt doorgaans in een rustiger tempo dan scrollen over een scherm. Het brein krijgt meer tijd om associaties te maken die aan de basis liggen van duurzaam geheugen. Lange teksten vereisen voortdurende aandacht, en dat is een vaardigheid die snel verzwakt als ze niet regelmatig wordt geoefend.
Onderzoekers van het Massachusetts Institute of Technology vergeleken studenten die lazen op een Kindle met studenten die papieren boeken gebruikten. Wie de gedrukte versie had, onthield meer details en begreep de structuur van de tekst beter. Lezen op een tablet leidde tot oppervlakkige perceptie, zonder diepe en blijvende verwerking.
Kan de cognitieve achteruitgang worden omgekeerd? Het Flynn-effect ontstond door omgevingsveranderingen, dus niets verhindert dat nieuwe veranderingen de resultaten opnieuw kunnen verbeteren. Het gaat er niet om technologie volledig te verwerpen, maar om het gebruik ervan bewust vorm te geven. Een scherm kan het leren ondersteunen wanneer het dient voor diepgaand werk — niet voor het voortdurend springen tussen prikkels.













